Gastenblog Léon de Caluwé

 

De congresdeelnemer

 

Bezoek aan de Academy of Management: iets tussen een snoepwinkel en een kermis.


Léon de Caluwé



Iedereen kan er wel iets van zijn gading vinden. En als je het hier niet vindt, heb je waarschijnlijk niet goed genoeg gezocht. Maar je moet wel je weg vinden in een wirwar van papers, symposia, presentaties en mensen. Je kunt makkelijk verloren lopen en verdwalen en steeds het idee hebben dat je de verkeerde lezingen en onderwerpen aan het volgen bent. Sommigen hebben het gevoel dat ze in een snoepwinkel terecht zijn gekomen, waarin het heel moeilijk kiezen is en waarin te veel aantrekkelijks wordt aangeboden. Anderen vinden het een kermis waarin presentatoren willen opvallen en hun waar aan de man proberen te brengen volgens bepaalde traditionele rituelen.


Dit jaar ben ik voor de tiende achtereenvolgende keer naar het jaarlijkse congres van de Academy of Management geweest. De eerste keer had ik het gevoel dat ik overweldigd werd. Ook had ik grote moeite om de weg te vinden en productieve contacten te maken.

Na enkele jaren kan ik me niet meer voorstellen dat ik er niet heen zou gaan. Het bezoek aan de Academy in de tweede week van augustus is mijn manier geworden om inhoudelijk bij te tanken, mijn (Nederlandse en internationale) contacten te onderhouden en nieuwe trends en mensen te leren kennen. In dit artikel beschrijf ik dit congres, iets van de sfeer ervan en een aantal van die trends. Een volstrekt subjectieve keuze van mij: iedere deelnemer kan namelijk maar een fractie van het totaal meemaken.


De feiten en statistieken zijn indrukwekkend. Plaats van handeling was dit jaar Chicago.

Vier kolossale hotels in het hart van de stad herbergen het vijfdaagse congres. Eerst zijn  er twee dagen met voornamelijk Professional Development Workshops. Dan een dag met plenaire presentaties, recepties, professionele prijzen, bestuursbijeenkomsten. En dan twee dagen met papers en symposia. Er worden 325 Professional Development Workshops aangeboden. Deze workshops zijn bedoeld voor bijscholing op bepaalde onderwerpen, zijn meestal interactief met enkele tientallen mensen in de zaal. Deze sessies duren anderhalf tot twee uur. De laatste twee dagen zijn meer academisch van aard. Er waren dit jaar ruim 3300 papers verdeeld over 780 paper sessies. Deze sessies zijn veel strakker. Vier keer vijftien minuten presentatie van vier (samenhangende) papers. Een voorzitter regisseert de sessie en een discussiant reageert en geeft kritiek op alle papers. Als je pech hebt, is er geen ruimte voor vragen of discussie. Dan ben je anderhalf uur aan het luisteren. Daarnaast zijn er 228 symposia over bepaalde thema’s. Daarin is wel meer ruimte voor discussie.

Het programmaboek is bijna 500 pagina’s dik. In het programma traden dit jaar 8380 mensen op uit 78 landen (271 uit Nederland). Daarnaast zijn er nog vele deelnemers die alleen komen consumeren.

Elk jaar vóór 15 januari dienen mensen uit de hele wereld hun aanvragen voor workshops, symposia en hun papers in. In de maanden daarna worden die voorstellen en papers rondgezonden naar ongeveer dezelfde groep mensen ter beoordeling. Daarbij is uiteraard onzichtbaar wie het voorstel of paper heeft gemaakt. Elk voorstel of paper wordt door drie anderen beoordeeld. Op basis van die beoordeling wordt bepaald of jouw voorstel of  paper in het programma van de conferentie van dat jaar wordt opgenomen. Ruim de helft wordt afgewezen. Die kunnen het volgend jaar weer proberen.


Op de Universiteiten over de hele wereld is het elk jaar in de tweede helft van maart spannend. Dan wordt bekend gemaakt welke voorstellen en papers geaccepteerd zijn voor het conferentieprogramma. Bijna overal geldt de regel dat de Universiteit de reis en het verblijf voor jou betaalt als je een geaccepteerd voorstel of paper hebt. En dat je niet kunt gaan als je een afwijzing hebt. Meedoen aan de conferentie is voor velen erg belangrijk.

Je kunt netwerken, je paper verbeteren, samenwerken met collega’s uit andere landen. In de papers en symposia liggen vaak de kiemen voor wetenschappelijke publicaties in gerenommeerde tijdschriften. Door kritiek van anderen en samenwerking met andere auteurs kunnen publicaties aanzienlijk in kwaliteit toenemen. Tegelijk is wel duidelijk dat de competitie onderling flink wordt aangewakkerd. Wat je hier allemaal goed leert zijn competenties als: jezelf goed presenteren, samenwerken met de juiste personen, competitie aangaan met tegenstanders of andersdenkenden. Iedereen is ook altijd al bezig met de voorbereiding van het volgende jaar: wat ga ik dan voorstellen en met wie?


Ik wil in dit artikel een paar thema’s noemen, die mij dit jaar zijn opgevallen.

Er is toenemende kennis over hoe om te gaan met extreme gebeurtenissen. Het gaat dan om zeldzame of unieke gebeurtenissen waarvan we ineens versteld staan omdat ze onze eigen aannames aantasten, bijvoorbeeld: een tsunami of erg verwaarloosde groepen mensen of overlijden van kinderen bij gebrek aan hulpverlening. De pers en de publieke opinie zijn meteen actief. Er moet snel worden gehandeld. Er ontwikkelen zich processen die te maken hebben met: het beperken van schade; het afbakenen van het probleem of de situatie; het voorkomen van het probleem; onderzoek; crisis management; risico inschatten; herstellen van de situatie; ervan leren. Het lijkt dat zich een nieuw kennisgebied aan het ontwikkelen is over deze extreme gebeurtenissen: hoe kunnen we de processen die het oplevert beter begrijpen? Hoe kunnen we voorkomen dat we reflexmatig met ontoereikende oplossingen komen? En hoe kunnen we na een extreme gebeurtenis strategieën hanteren die de situatie kunnen verbeteren?

Er is een tijd geweest dat managers erop gericht waren om emoties en gevoelens uit te bannen van de werkvloer. Die moesten maar thuis blijven. Mensen zijn productiemiddelen en emoties zijn verstorend. Dat tijdperk is voorbij. Emoties horen erbij en moeten aandacht krijgen. Er is volop aandacht voor emoties bijvoorbeeld tijdens veranderingsprocessen. Het gaat dan om twee competenties die managers zich zouden moeten verwerven. De eerste is het waarnemen en begrijpen van emoties. Zien wat er zich afspeelt, er attent op zijn en snappen waar het vandaan komt. De tweede is er adequaat mee kunnen omgaan en erop reageren. Deze twee competenties worden ook wel gezien als emotionele intelligentie. Emoties komen pregnant naar voren tijdens veranderingsprocessen: angst, boosheid, depressie, weerstand, tegenwerking zijn voorbeelden van uitingen van die emoties.

De nieuwe generatie Y staat al jaren hoog op de agenda. Deze jonge generatie blaakt van de ijver, wil zich laten gelden, wil verantwoordelijkheid nemen en kan goed samenwerken. Grote bedrijven maken zich er zorgen over of ze deze generatie wel kunnen vasthouden en kunnen boeien. Of zoals iemand zei: “It is not a bunch of kids”.

Zitten daar de nieuwe ondernemers? Gaan we een generatie overslaan? Starten zij niet hun eigen bedrijven? Zijn ze wel te binden in de bestaande organisaties? Zitten we op een overgang naar veel nieuwe bedrijven (met ook een andere cultuur dan we nu gewend zijn)?


Edgar Schein werd dit jaar flink in het zonnetje gezet. Door middel van lezingen van hemzelf en over hemzelf. In de Verenigde Staten bestaat een sterke traditie om de oudjes in het vak in ere te houden. Schein is dik in de tachtig.  Hij is de uitvinder van concepten die belangrijke bijdragen zijn geweest voor het vakgebied van veranderen en consultancy. Zijn befaamde cultuurmodel als schillen van de ui bijvoorbeeld. Of zijn opvattingen over expert en proces consultants  en ankers voor carrière ontwikkeling zijn nog steeds standaard.

Hij introduceerde zijn nieuwe boek over helpen: een thema dat hem gedurende zijn hele loopbaan bezighoudt. Hulp vragen en bieden is de kern van veranderen, volgens Schein. Tegelijkertijd is het heel erg moeilijk, want hulp vragen of geven is een verstoring van de sociale orde. Mensen zijn bang om om hulp te vragen. Voor hulp bieden moet je de goede vragen stellen en je inleven; ook niet makkelijk. Denk maar eens aan de volgende situaties: een vrouw vraagt: “Vind je het leuk wat ik aan heb?”; een kind vraagt: “Kun je me helpen met mijn huiswerk?”. Diegene aan wie het gevraagd wordt, moet daar niet oppervlakkig op reageren, maar zich inleven en afvragen: wat is het probleem? Wat hebben ze echt nodig? Deze basisparadox van helpen laat zien dat een paar vragen stellen dan beter is dan antwoorden geven. Een (goede) relatie is nodig om hulp te vragen en te geven. Hoe beter de relatie, hoe beter de hulp! En die relatie kan tot stand komen door een paar simpele vragen. En in individualistische en competitieve culturen is elkaar helpen erg moeilijk.

Zijn concept van proces consultancy is gebaseerd op het concept van helpen. In dit geval het helpen van managers en organisaties. Procesconsultatie gaat ervan uit dat de cliënt en de adviseur een relatie moeten ontwikkelen, dat ze elkaar moeten begrijpen en moeten zoeken naar de echte vraagstukken.

Schein heeft ook een interessant licht geworpen op die befaamde kloof tussen de praktijk en de wetenschap. Praktijkmensen zijn erop gericht om de praktijk te verbeteren, zegt hij. Ze gebruiken natuurlijk wel wetenschap en kennis, maar alleen die waar ze echt wat aan hebben. Kennis en wetenschap die de praktijk niet (onmiddellijk) verder helpt, schuiven ze terzijde en zien ze als irrelevant. Ze schrijven soms een proefschrift of verblijven deeltijds op de Universiteit, maar het uiteindelijke doel is het verbeteren van mensen en organisaties. Wetenschappers zijn erop gericht om valide kennis te ontwikkelen en willen dus de theorie verder helpen. Als zij consultancy erbij doen, doen ze dat om de theorie wellicht meer relevant te maken voor de praktijk of om de theorie te toetsen aan de case. Hun uiteindelijke doel is betere wetenschap. De integratie tussen beide werelden is in de ogen van Schein onmogelijk, omdat het zo fundamenteel verschillende oriëntaties en houdingen zijn. Een wetenschapper is niet geïnteresseerd in helpen en heeft ook die attitude niet. Een praktijkmens heeft niet de onafhankelijke en afstandelijke houding die nodig is om de wetenschap te dienen. Je kunt wel wisselen van rol, zegt Schein. In het ene project meer de praktijkoriëntatie; in het andere meer de wetenschappelijke. Maar tegelijk kan zeker niet.

Nu lopen er wel mensen rond die beide rollen vervullen. Binnen die groep is er sprake van een zeer grote diversiteit. Dat is niet een goed te omschrijven type. Deze personen (ik reken mezelf er ook toe) hebben het moeilijk om in beide werelden geaccepteerd te zijn en te blijven. Het is lastig om het voor iedereen goed te blijven doen. Eigenlijk is dit een onmogelijke opgave. De wetenschappers vinden ze de oren teveel naar de praktijk laten hangen. De praktijkmensen vinden hen te kritisch over de validiteit en werkzaamheid van interventies. Bovendien hebben de twee werelden eigen spelregels en indicatoren. De praktijk rekent af op reputatie en omzet; de wetenschap op publicaties en promovendi. Die befaamde brug tussen praktijk en wetenschap: is die er eigenlijk wel? Of is dit niet goed mogelijk?

Wat het nog gecompliceerder maakt is die grote diversiteit in profielen in praktijkwetenschappers (pracademici zeiden ze in Chicago). Sommigen verkopen hun kennis als valide kennis (“onderzoek heeft aangetoond, dat………….”), maar weten zelf wel dat dat nogal dubieuze uitspraken zijn. Of onder het mom van organisaties helpen, zijn ze vooral met het eigen belang bezig. Een klinisch onderzoek (a la Schein!) naar profielen van praktijkwetenschappers is wellicht een mooie manier om daar wat meer zicht op te krijgen.


Het congres van de Academy of Management is altijd in Noord Amerika (de Verenigde Staten of Canada). Dat levert al jaren forse kritiek op. Waarom niet in Europa of Azië? Het is immers een globaal gebeuren. In het bestuur van de Academy is onderzocht of het congres bijvoorbeeld in Parijs of Londen gehouden zou kunnen worden. De accommodatie bleek ontoereikend om het geheel daar te laten plaatsvinden. Wel zullen in de toekomst bepaalde divisies van de Academy elders confereren. In de Management Consultancy Divisie vindt elke twee jaar een (tussen-) conferentie plaats in een Europese stad. Afgelopen juni was dat in Wenen. In juni 2011 zal de snoepwinkel worden neergezet aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een mooie gelegenheid om eens te gaan kijken hoe die eruit ziet.

 

dinsdag 1 september 2009

 
 
Gemaakt op een Mac

volgende >

< vorige